Dat
niet alleen Renckens flauwekul verkoopt, maar óók
Hr.Buitenhuis, met zijn rekenfouten, laat ik hier in de
navolgende discussie zien die ik elders tegen kwam. Zijn
bevindingen wijzen na correctie zelfs eerder op het tegendeel
!
Een kleinde toelichting is denk ik wel op z`n plaats vóór
dat je verder gaat lezen. De auteurs kunnen het wellicht
het beste uitleggen, maar ik doe een poging.
Het
komt er kort gezegd op neer dat Buitenhuis de naamgeving
van doorslaggevend belang (dat beweert hij in het ntvg)
vindt voor de verdere prognose. Dus: zeg voortaan geen whiplash!
Dat is “”dreigende
taal”” zegt bijvoorbeeld en medisch adviseur
die bij zijn promotie aanwezig was. In eerste instantie
bleek er statistisch een belangrijke relatie te bestaan
tussen de naamgeving (patient schrijft het toe aan whiplash/ziet
daar de oorsprong). Een correlatie is natuurlijk nog geen
oorzaak-gevolg relatie, maar dat was voor Buitenhuis toch
voldoende om er verder op door te borduren.
Echter,
na “”correctie”” (door Bramsen en
Roelofs) van de statistische dwalingen (heeft volgens mij
te maken verschillen in schalen waar geen rekening mee gehouden
is) blijkt ineens dat de fysieke factoren een belangrijke(re)
factor voor het voorspellen van het verdere verloop. Mijn
hypothese: van doorslaggevend belang
Daarmee
is niet bewezen dat de naamgeving of psychische factoren
geen enkele rol spelen, maar dat hoeft helemaal niet bewezen
te worden: de bewijslast ligt bij Buitenhuis! Hij heeft
helemaal niets kunnen bewijzen, hij roept van alles, en
hij heeft kennelijk als verzekeringsman (?) toch onvoldoende
kennis van de statistiek
Gepubliceerd
op: 09-10-2009
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:A865
Ter
discussie
‘Whiplashattributie’
niet doorslaggevend voor prognose
Inge Bramsen
en Pepijn Roelofs
Het beoordelen van gezondheidsstatistieken is moeilijk voor
artsen, patiënten, journalisten en politici. Hierdoor
trekken zij soms verkeerde conclusies, zonder dit te beseffen.1
Dit kan onbedoelde gevolgen hebben voor de behandeling van
patiënten.
Een in het oog
springend actueel voorbeeld van een verkeerde interpretatie
van gezondheidsstatistieken is het recente promotieonderzoek
van Jan Buitenhuis dat begin juni leidde tot grote media-aandacht.2
Zo kopte de NRC: ‘Zeg niet “whiplash”,
zeg “spierpijn”’.3 Volgens de onderzoekers
toont hun onderzoek aan dat het gebruik van de term whiplash
‘doorslaggevende invloed kan hebben op de prognose’.4
De onderzoekers
hielden echter geen rekening met de schaal waarop de onafhankelijke
variabelen werden gemeten. Hierdoor klopte de door hen gemaakte
vergelijking van oddsratios’s (OR’s) niet. Zij
concluderen ten onrechte dat de ‘whiplashattributie’
een grotere voorspellende waarde heeft dan de ernst van
de fysieke klachten.
In dit artikel
gaan wij in op het probleem van de verkeerde interpretatie
van de statistiek in deze casus. Omdat de genoemde studie
niet bij iedereen bekend zal zijn, beschrijven we eerst
het onderzoek. Vervolgens geven wij de bredere context,
namelijk die van de vertaling van OR’s en gezondheidsrisico’s
naar de alledaagse medische praktijk.
De
studie van whiplash en causale attributies
Buitenhuis et al. deden een studie naar de rol van zogenaamde
‘catastroferende’ gedachten en causale attributies
bij whiplash.5 140 mensen met nekklachten na een auto-ongeluk
die hiervoor een schadeclaim hadden ingediend, vulden 1
maand na het ongeluk (tijdstip 1: T1) een vragenlijst in
en nog eens na 6 (T2) en na 12 maanden (T3). Voor deze studie
ontwikkelden de onderzoekers de ‘Causal belief questionnaire
whiplash’ (CBQ-W). Deze begint met de vraag: ‘Mijn
klachten worden veroorzaakt door ...’ en somt 18 mogelijke
oorzaken op. Patiënten konden antwoorden op een 4-puntsschaal
(‘absoluut niet’, ‘waarschijnlijk niet’,
‘waarschijnlijk wel’, ‘absoluut wel’).
Op basis van een factoranalyse werden 4 schalen geconstrueerd:
‘psychologisch’ (4 items), ‘ernstige verwonding’
(6 items), ‘wervels’ (3 items), en ‘spieren’
(3 items). Een 5e factor met 2 items bleek niet voldoende
betrouwbaar en daarom werd het item ‘whiplash’
als afzondelijk item gebruikt.5
Causale
attributie van ‘whiplash’ versus de inschatting
van de fysieke beperkingen Twee multiple-logistische-regressieanalyses
werden uitgevoerd om na te gaan welke T1-variabelen geassocieerd
waren met het nog bestaan van het post-whiplashsyndroom
op T2 en T3 volgens zelfrapportage van de patiënt (‘ja’/’nee’).
De onderzoekers beschrijven in hun artikel dat de causale
attributie ‘CBQ-W-whiplash’ een onafhankelijke
voorspellende waarde heeft die groter is dan die van de
‘Neck disability index’ (NDI). De NDI bepaalt
aan de hand van zelfrapportage de ernst van de fysieke beperkingen.
Volgens ons
is deze bewering onjuist, omdat de onderzoekers geen rekening
hebben gehouden met de schaal waarop de onafhankelijke variabelen
werden gemeten. Bij een logistische-regressieanalyse met
continue onafhankelijke variabelen is de grootte van de
OR afhankelijk van de schaal waarop deze variabelen zijn
gemeten. Voor een zinvolle interpretatie dient de onderzoeker
stil te staan bij de vraag wat een betekenisvolle verandering
is op de schaal waarop een variabele is gemeten.6
Buitenhuis et
al. vonden een OR van 3,4 voor CBQ-W-whiplash: dit betekent
dat bij een toename van 1 punt op deze schaal, de waarschijnlijkheid
dat iemand na 6 maanden nog steeds het whiplashsyndroom
heeft, 3,4 keer vergroot is. Deze OR is beduidend hoger
dan de OR van 1,2 (exact: 1,197) voor de NDI. Echter, de
NDI-scores kunnen variëren van 0-50, zodat een toename
van 1 punt op deze schaal relatief klein is (1/50). De CBQ-W-whiplash
loopt van 1-4 en dus is een toename van 1 punt op deze schaal
verhoudingsgewijs veel groter (1/4). Dit uit zich tevens
in een verhoudingsgewijs grotere OR voor deze schaal. Wanneer
we voor dit verschil in het bereik van de schaal corrigeren
(zie kader ‘Uitleg’) dan vinden we voor de NDI
niet een OR van 1,2 maar van 9,5, dat wil zeggen groter
dan de OR van 3,4 voor de CBQ-W-whiplash.
Deze correctie
maakt duidelijk dat de voorspellende waarde van de NDI voor
de prognose op de momenten T2 en T3 anders dan Buitenhuis
et al. melden groter is dan die van de CBQ-W-whiplash. Hiermee
lijkt de conclusie niet langer gerechtvaardigd dat de naamgeving
van de ziekte van doorslaggevend belang is voor de prognose
bij whiplash, of is deze conclusie op zijn minst discutabel.
De fysieke beperkingen, zoals gemeten met de NDI, lijken
voor de prognose in ieder geval belangrijker dan de genoemde
causale attributie.
Er zijn, naast
correctie van de OR’s nog andere manieren om de relatieve
bijdrage van individuele variabelen aan het logistische-regressiemodel
te beoordelen. Bijvoorbeeld door inspectie van de zogenaamde
‘wald-parameter’. In de voornoemde analyse was
de wald-parameter voor de NDI gelijk aan 12,54 (p < 0,001)
en voor de CBQ-W-whiplash 10,34 (p < 0,01). Hieraan kan
men zien dat de NDI een zwaarder gewicht in de schaal legt.
Ook is het mogelijk om de bijdrage van verschillende variabelen
in het model te beoordelen, door het stapsgewijs op te bouwen
en dan met behulp van bijvoorbeeld de ‘goodness of
fit’-index van Hosmer en Lemoshow te bepalen wat de
bijdrage is van de in een latere stap toegevoegde variabele
of variabelen.
Voorts willen
we nog noemen dat het aantreffen van een statistisch significant
verband tussen 2 variabelen, in dit geval de CBQ-W-whiplash
en de prognose, niet automatisch een causaal verband tussen
achterliggende concepten impliceert.7 Hiervoor zijn in de
regel aanvullende aannames nodig, die voor discussie vatbaar
kunnen zijn.
De interpretatie
van OR’s en relatieve risico’s.
De studie van Buitenhuis et al. illustreert dat de OR een
lastig te interpreteren maat voor samenhang is.4,8 Vanwege
de lastige interpretatie leidt het gebruik van relatieve
risico’s en OR’s wel vaker tot een verkeerde
inschatting van het belang van risicofactoren.1 Vaak wordt
verzuimd het absolute risico te vermelden, terwijl dit laatste
voor een goed begrip van de uitkomsten wel van belang is.
Een verdubbeling van het risico op het krijgen van een ernstige
ziekte, dat wil zeggen dat het relatief risico gelijk is
aan 2, lijkt op het eerste gezicht een sterk verband, maar
het maakt wel uit of het basisrisico 0,1% is of 10%. Achter
relatieve risico’s en OR’s kunnen dus heel verschillende
absolute risico’s schuil gaan.
Ander
voorbeeld: angst voor 3e-generatie-anticonceptiepil
Een treffende illustratie hiervan is de wereldwijde ‘pilangst’
die in 1995 ontstond toen bekend werd dat de 3e-generatie-anticonceptiepil
het risico op trombose ernstig zou verhogen. De Britse commissie
voor de veiligheid van medicijnen gaf een waarschuwing dat
het risico op potentieel levensbedreigende trombose door
het gebruik van 3e-generatie-anticonceptiemiddelen verdubbeld
werd: een toename van 100%. Deze informatie werd op grote
schaal via de media verspreid en leidde tot angst en ongerustheid.
Veel bezorgde vrouwen stopten onmiddellijk met de pil.
Maar welk absoluut
risico ging er eigenlijk schuil achter deze berichten? Studies
hadden aangetoond dat van elke 7000 vrouwen die eerder de
2e-generatiepil slikten, er ongeveer 1 trombose kreeg; dit
aantal nam toe tot 2 vrouwen per 7000 die de 3e- generatiepil
slikten. Het absolute risico was dus 1 op 7000 en de relatieve
toename was inderdaad 100%. De pilangst leidde tot naar
schatting 13.000 extra abortussen in het daaropvolgende
jaar in Engeland en Wales.1
In zijn algemeenheid
moet men voorzichtig zijn met het vertalen van OR’s
naar aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk. Zelfs indien
een verband tussen een risicofactor en een uitkomstmaat
statistisch significant is, moet dit verband zeer sterk
zijn voordat het prognostische waarde heeft voor de individuele
patiënt.9 Wil een risicofactor prognostische waarde
hebben dan moet het verschil tussen de 2 groepen, bijvoorbeeld
tussen wel of niet genezen zijn na 1 jaar, zo groot zijn
dat de overlap in de scoreverdeling tussen de 2 groepen
beperkt is.
Zeer
hoge OR nodig voor belangrijke bijdrage aan diagnostische
test Zelfs
indien sprake is van internationaal aanvaarde risicofactoren
blijkt de prognostische waarde hiervan voor de individuele
patiënt soms gering.9,10 Dit blijkt bijvoorbeeld uit
de ‘Framingham heart study.10 Deze studie identificeerde
5 biomarkers die een onafhankelijke statistisch significante
bijdrage leverden aan de voorspelling van cardiovasculaire
gebeurtenissen. Hiervan werd een gewogen indexscore gemaakt.
Personen met een hoge indexscore hadden een 4 keer zo hoog
risico op sterfte binnen 5 jaar en een verdubbeld risico
op een cardiovasculaire gebeurtenis. Toch voegde deze gewogen
combinatie van de topvijf van risicofactoren weinig toe
aan de sensitiviteit en specificiteit van een prognostische
test voor sterfte binnen 5 jaar. Dit is niet vreemd, want
voor classificatie met een sensitiviteit en een specificiteit
van bijvoorbeeld 0,80 is een OR van 16 nodig, en zulke sterke
associaties worden zelden gevonden.
Conclusie
Uit deze whiplash-casus blijkt dat het identificeren van
risicofactoren, het correct interpreteren ervan en het maken
van een correcte vertaling naar de dagelijkse praktijk en
de individuele patiënt een complexe zaak is. Een goed
begrip van de statistiek en de beperkingen ervan is daarbij
onontbeerlijk. Wij lieten zien dat men bij de interpretatie
van OR’s in een logistische-regressieanalyse met continue
variabelen rekening dient te houden met de schaal waarop
deze gemeten zijn.
Voor een goed
begrip van OR’s en ook van relatieve risico’s
is voorts van belang het absolute risico te kennen.
Tot slot impliceert
een statistisch significant verband niet automatisch dat
de prognostische factor ook voldoende voorspellende waarde
heeft om in de klinische praktijk patiënten te classificeren
en het medisch handelen hier volledig op af te stemmen.
Uitleg
Correctie van een oddsratio (OR) voor het bereik van de
schaal van de betreffende variabele De ‘Neck disability
index’ (NDI) heeft een bereik van 0-50 en de ‘Causal
belief questionnaire whiplash’ (CBQ-W) van 1-4. Om
een OR van 1 punt in het bereik van de CBQ-W te kunnen vergelijken
met een OR van 1,197 in de NDI kan men de volgende formule
gebruiken: ORwegingsfactor = 1,197(50/4) = 9,466.6 Hierdoor
verkrijgt men voor de NDI een OR die het effect weergeeft
van een toename van 1/4 van het totale bereik van de schaal
van 0-50. Deze correctie moet gezien worden als een benadering,
omdat men ook rekening moet houden met de scoreverdeling
die in een specifieke onderzoekspopulatie wordt aangetroffen.
Belangenconflict:
geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 13 september 2009
Hogeschool Rotterdam,
Kenniskring Participatie, Arbeid & Gezondheid, Rotterdam.
Mw. dr. I. Bramsen,
methodoloog en gezondheidszorgpsycholoog.
Drs. P.D.D.M.
Roelofs, gezondheidswetenschapper en fysiotherapeut.
Contactpersoon:
dr. I. Bramsen (i.bramsen@hro.nl).
--------------------------------------------------------------------------------
Literatuur
1 Gigerenzer
G, Gaissmaier W, Kurz-Milcke E, Schwartz LM, Woloshin S.
Helping doctors and patients make sense of health statistics.
Psychological science in the public interest. 2008;8:53-96.
2 Buitenhuis J. The course of whiplash. Its psychological
determinants and consequences for work disability. Proefschrift.
Groningen: Rijksuniversiteit Groningen; 2009.
3 Nienke Beintema. Zeg niet ‘whiplash’, zeg:
‘spierpijn’. Alleen al diagnose ‘whiplash’
leidt tot veel groter risico op langdurige klachten. Interview.
NRC Handelsblad. 2009; 4 juni.
4 Buitenhuis J, de Jong PJ. De term ‘whiplash’
liever vermijden. Commentaar op de multidisciplinaire richtlijn
voor ongecompliceerde whiplash. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B2.
5 Buitenhuis J, de Jong PJ, Jaspers JP, Groothoff JW. Catastrophising
and causal beliefs in whiplash. Spine. 2008;33:2427-33.
6 Hosmer DW, Lemeshow S. Applied logistic regression. New
York: John Wiley & Sons; 1989.
7 Gijn J van, Rooijmans HGM. Dwalingen in de methodologie.
Causaliteit. Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:1765-7.
8 Scholten RJPM. ‘Odds’ en wat dies meer zij.
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998; 142:2452-4.
9 Ware JH. The limitations of risk factors as prognostic
tools. N Engl J Med. 2006;355:2615-2617.
10 Wang TJ, Gona P, Larson MG et al. Multiple Biomarkers
for the prediction of First major cardiovascular events
and death. N Engl J Med. 2006;355: 2631-9.
Reacties
Whiplash, misinterpretatie Engels, geen afbreuk aan conclusies
Reactie ingediend op Thu. 22-10-2009 - 20:18
We willen mevrouw Bramsen en de heer Roelofs bedanken voor
hun commentaar op ons onderzoek. Het geeft ons echter aanleiding
tot een reactie, vooral omdat de vermeende punten van kritiek
op geen enkele manier afbreuk doen aan de centrale conclusie
van ons onderzoek, namelijk dat het attribueren van klachten
aan whiplash samen gaat met een relatief ongunstige langetermijnprognose.
Bovendien lijkt de kritiek te zijn gebaseerd op een onjuiste
interpretatie van de door ons gebruikte frase “over
and above”.
In het bewuste
onderzoek gepubliceerd in Spine in 2008, doen wij verslag
van onderzoek naar de relatie tussen o.a. causale attributies
en de prognose van whiplash.(1) Uit de resultaten blijkt
dat het na 1 maand toeschrijven van klachten aan whiplash
significant samenhangt met de aanwezigheid van klachten
na 6 en 12 maanden, onafhankelijk van de ernst van zelfgerapporteerde
klachten. Op grond van de resultaten concludeerden wij:
“Attributing initial neck complaints to whiplash was
found to be related to more severe concurrent disability
and to have prognostic value for the persistence of whiplash
at six and twelve months follow-up, over and above the initial
complaint severity.” Het commentaar richt zich op
deze laatste toevoeging.
Terecht merken
de auteurs op dat bij eventueel vergelijken van de grootte
van odds ratios (OR’s) rekening moet worden gehouden
met de schaal van de betreffende variabelen. Echter, in
ons artikel hebben we op geen enkele wijze odds ratios onderling
willen vergelijken. De auteurs lijken de zinsnede “over
and above”, te vertalen als “groter dan”,
of “meer dan”, maar dat is geen correcte weergave
van het gebruikte Engels. Synoniemen voor “over and
above” zijn b.v. “besides” en “in
addition to”, te vertalen als b.v. “naast”.
Wij hebben met deze uitdrukking aan willen geven dat naast
de ernst van zelfgerapporteerde klachten, die in onderzoek
vaak als voorspeller wordt gevonden, ook het toeschrijven
van de klachten aan whiplash een relatie heeft met de prognose.
Kortom, de kritiek lijkt voort te komen uit een misinterpretatie
van het gebruikte Engels.
Daarnaast corrigeren
de auteurs OR’s op basis van de schaal van de variabele
om ze vervolgens te vergelijken. Zoals zij zelf al aangeven
wordt hiermee geen rekening gehouden met de groepskenmerken
van die variabelen. Een andere wijze om OR’s van variabelen
te vergelijken is het bepalen wat het effect is van een
vergelijkbare relatieve verandering van beide schalen, b.v.
verandering ter grootte van één standaarddeviatie
(SD). De SD van NDI (op Q3) is 8, van CBQ-W 1.11. De OR
van NDI van 1 SD is dus 1.156^8=3.19, de OR van 1 SD van
CBQ-W is 2.657^1.11=2.96. Als NDI één SD omhoog
gaat, wordt de OR 3.2 keer hoger, als CBQ-W één
SD omhoog gaat, wordt de OR 3,0 keer hoger. Kortom, uit
deze analyse blijkt dat de bijdrage van CBQ-W weliswaar
kleiner is dan die van de NDI, echter slechts zeer gering
(0.7 en 0.2, na 6 respectievelijk 12 maanden). Op grond
hiervan kan niet overtuigend worden betoogd dat het effect
van de NDI groter is. Andere analysemethodes zijn uiteraard
ook nog mogelijk, maar het blijft vergelijken van twee uitkomsten
die niet goed te vergelijken zijn.
De uiteindelijke
conclusies van ons artikel zijn dan ook niet gebaseerd op
het interpreteren van onderlinge verschillen in OR’s.
De resultaten tonen o.a. een statistisch significante relatie
tussen gebruik van de term whiplash en de prognose, onafhankelijk
van de ernst van de zelfgerapporteerde klachten. Het onderling
vergelijken van de OR’s speelt hierin geen rol. De
uiteindelijke conclusie van het artikel blijft dan ook dat
de resultaten een indicatie geven dat het toeschrijven van
klachten aan whiplash een belangrijke prognostische waarde
heeft voor het beloop van de klachten. Tot slot: Bramsen
en Roelofs merken terecht op dat op basis van correlationeel
onderzoek geen finale conclusies kunnen worden getrokken
rond de causale status van een samenhang. Maar dat betogen
we dan ook nergens in het artikel. Wat we in het oorspronkelijke
artikel wel aangeven is dat een belangrijke vervolgstap
zou zijn om de veronderstelde disfunctionele causale attributies
via een interventie bij te stellen. Zo’n studie zou
niet alleen inzicht kunnen geven in de klinische bruikbaarheid
van zo’n interventie, maar vanwege de experimentele
manipulatie van de causale attributies tevens een meer definitief
antwoord kunnen geven op de rol van dergelijke attributies
bij het voortduren van de klachten.
Referentie
1. Buitenhuis
J, Jong PJ de, Jaspers JPC , Groothoff JW, Catastrophizing
and causal beliefs in whiplash SPINE 2008;33:2427-33
Jan Buitenhuis, Peter de Jong, Jan Jaspers, Johan Groothoff
Wel degelijk statistische
misinterpretatie
Reactie ingediend op Wed. 04-11-2009 - 09:39
Buitenhuis c.s. schrijven in reactie op onze kritiek dat
zij geen onderlinge vergelijking van odds ratios hebben
gemaakt en dat wij ons mogelijk hebben laten leiden door
een verkeerde interpretatie van de uitdrukking "over
and above" in het proefschrift. Zij stellen dat de
conclusie gehandhaafd kan worden.
Echter, de conclusie die zij "handhaven" is een
andere, meer gematigde, conclusie dan degene die wij aanvochten.
Overigens richtte
onze kritiek zich niet op de Engelse uitdrukking "over
and above". Mogelijk hebben de auteurs eerder zelf
hiermee een vergissing gemaakt. Dat zou een verklaring kunnen
zijn voor de diverse interviews waarin de odds ratio’s
geïnterpreteerd werden zonder, zoals wij opmerkten,
rekening te houden met de schaal van de gemeten onafhankelijke
variabelen.1,2
Onze kritiek
richt zich op de conclusie die de onderzoekers formuleren
in het NTvG en in het persbericht d.d. 26 mei jl.3,4 Het
persbericht heeft als titel "Gebruik van het begrip
‘whiplash’ leidt tot meer gezondheidsklachten".
Volgens de onderzoekers toont hun onderzoek aan dat de term
whiplash ‘doorslaggevend’ is voor de prognose
en zij pleiten ervoor de multidisciplinaire richtlijn aan
te passen, zodat de aandoening voortaan geen whiplash meer
heet, en dus een aandoening ‘zonder naam’ wordt.3
Dit is een te
vergaande causale conclusie, waarop zij in hun reactie nu
niet meer terugkomen, en die zij blijkbaar niet meer willen
handhaven. En terecht.
Want, de volgende
drie punten uit ons artikel hebben zij niet weerlegd:
1. Indien niet de ‘whiplashattributie’ de belangrijkste
variabele in de analyse is, en de fysieke klachten minstens
even belangrijk zijn, dan ligt het niet meer voor de hand
de ‘attributie’ als ‘doorslaggevend’
aan te wijzen. Men zou immers met even veel stelligheid
kunnen verkondigen dat de fysieke klachten doorslaggevend
zijn.
2. Indien sprake is van een statistisch significant verband,
wil dit nog niet zeggen dat er ook sprake is van een causaal
verband tussen de achterliggende concepten. Hiervoor zijn
in de regel aanvullende aannamen nodig. Bijvoorbeeld is
de ‘variabele whiplash’ wel een disfunctionele
causale attributie? En zegt de meting van deze variabele
daadwerkelijk iets over het gebruik van de term whiplash
in de dagelijkse praktijk? Ook moeten de onderzoekers alternatieve
verklaringen voor een gevonden statistisch verband kunnen
uitsluiten.
3. Indien een causaal verband wel aannemelijk is, moet het
gevonden verband veel sterker zijn om een dergelijke vergaande
aanbeveling (term whiplash niet meer gebruiken) te rechtvaardigen.
Kortom: de aanbeveling
om de term whiplash niet meer te gebruiken kan niet volgen
uit de onderzoeksresultaten.
Referenties
1. Nienke Beintema. Zeg niet ‘whiplash’, zeg:
‘spierpijn’. Alleen al diagnose ‘whiplash’
leidt tot veel groter risico op langdurige klachten. Interview.
NRC Handelsblad, juni 4 2009.
2. Verzekerd! Nieuwsuitgave van het verbond van verzekeraars.
Term ‘whiplash’ leidt tot langer herstel. Interview,
p. 8, jaargang 7, 11 juni 2009.
3. Buitenhuis J, de Jong PJ. De term ‘whiplash’
liever vermijden. Commentaar op de multidisciplinaire richtlijn
voor ongecompliceerde whiplash. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B2.
4. Rijksuniversiteit Groningen.
Persbericht. Gebruik van begrip “whiplash” leidt
tot meer gezondheidsklachten. Datum: 26 mei 2009.
Inge Bramsen
& Pepijn Roelofs
Het gaat in essentie om de poen. Daarom zijn we, en dat
geld voor diverse doelgroepen, voorlopig nog niet van dat
geleuter af.
Uiteraard, houd ik het verloop van deze discussie, nauwlettend
in de gaten en zodra er nieuws is, zal ik dat beslist toe
voegen.